بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ
وَٱلصَّٰٓفَّٰتِ صَفًّا ١
Ik zweer bij de engelen, die zich in orde scharen
Aantekeningen
فَٱلزَّٰجِرَٰتِ زَجْرًا ٢
En bij hen die de wolken voortdrijven en verspreiden
Aantekeningen
فَٱلتَّٰلِيَٰتِ ذِكْرًا ٣
En bij hen, die den Koran lezen als eene vermaning
Aantekeningen
إِنَّ إِلَٰهَكُمْ لَوَٰحِدٌ ٤
Waarlijk, uw Heer is eenig
Aantekeningen
رَّبُّ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضِ وَمَا بَيْنَهُمَا وَرَبُّ ٱلْمَشَٰرِقِ ٥
De Heer van hemel en aarde en van alles wat daartusschen is, en de Heer van het Oosten
Aantekeningen
إِنَّا زَيَّنَّا ٱلسَّمَآءَ ٱلدُّنْيَا بِزِينَةٍ ٱلْكَوَاكِبِ ٦
Wij hebben den ondersten hemel met het versiersel der sterrren getooid
Aantekeningen
وَحِفْظًا مِّن كُلِّ شَيْطَٰنٍ مَّارِدٍ ٧
En wij hebben daarin een wachter tegen iederen weerspannigen duivel geplaatst
Aantekeningen
لَّا يَسَّمَّعُونَ إِلَى ٱلْمَلَإِ ٱلْأَعْلَىٰ وَيُقْذَفُونَ مِن كُلِّ جَانِبٍ ٨
Opdat zij niet luisteren naar het gesprek der verheven vorsten (want zij worden van alle zijden bestormd)
Aantekeningen
دُحُورًا وَلَهُمْ عَذَابٌ وَاصِبٌ ٩
En eene zware marteling is voor hen gereed gemaakt
Aantekeningen
إِلَّا مَنْ خَطِفَ ٱلْخَطْفَةَ فَأَتْبَعَهُۥ شِهَابٌ ثَاقِبٌ ١٠
Behalve hij, die een woord steelsgewijze opvangt, en door eene vlammende schicht wordt getroffen
Aantekeningen
فَٱسْتَفْتِهِمْ أَهُمْ أَشَدُّ خَلْقًا أَم مَّنْ خَلَقْنَآ إِنَّا خَلَقْنَٰهُم مِّن طِينٍ لَّازِبٍۭ ١١
Vraag daarom den bewoners van Mekka, of zij van nature sterker zijn dan de engelen welke wij hebben geschapen? Waarlijk wij hebben hen van harde klei geschapen
Aantekeningen
بَلْ عَجِبْتَ وَيَسْخَرُونَ ١٢
Gij verbaast u over Gods macht en hunne weêrspannigheid; maar zij spotten over de bewijsmiddelen, welke aangevoerd worden om hen te overtuigen
Aantekeningen
وَإِذَا ذُكِّرُوا۟ لَا يَذْكُرُونَ ١٣
Als zij gewaarschuwd worden, nemen zij geene waarschuwing aan
Aantekeningen
وَإِذَا رَأَوْا۟ ءَايَةً يَسْتَسْخِرُونَ ١٤
En als zij iets zien, spotten zij er mede
Aantekeningen
وَقَالُوٓا۟ إِنْ هَٰذَآ إِلَّا سِحْرٌ مُّبِينٌ ١٥
En zeggen: Dit is niet anders dan duidelijke tooverij
Aantekeningen
أَءِذَا مِتْنَا وَكُنَّا تُرَابًا وَعِظَٰمًا أَءِنَّا لَمَبْعُوثُونَ ١٦
Nadat wij dood zullen wezen en tot stof en beenderen zijn geworden, zullen wij dan werkelijk tot het leven worden opgewekt
Aantekeningen
أَوَءَابَآؤُنَا ٱلْأَوَّلُونَ ١٧
En onze voorvaderen ook
Aantekeningen
قُلْ نَعَمْ وَأَنتُمْ دَٰخِرُونَ ١٨
Antwoord: Ja! en dan zult gij veracht wezen
Aantekeningen
فَإِنَّمَا هِىَ زَجْرَةٌ وَٰحِدَةٌ فَإِذَا هُمْ يَنظُرُونَ ١٩
Er zal slechts eenmaal op de trompet worden geblazen, en zij zullen rond zien
Aantekeningen
وَقَالُوا۟ يَٰوَيْلَنَا هَٰذَا يَوْمُ ٱلدِّينِ ٢٠
En zullen zeggen: Wee over ons! Dit is de dag des oordeels
Aantekeningen
هَٰذَا يَوْمُ ٱلْفَصْلِ ٱلَّذِى كُنتُم بِهِۦ تُكَذِّبُونَ ٢١
Dit is de dag der onderscheiding tusschen de rechtvaardigen en de zondaren, dien gij als eene leugen verwerpt
Aantekeningen
ٱحْشُرُوا۟ ٱلَّذِينَ ظَلَمُوا۟ وَأَزْوَٰجَهُمْ وَمَا كَانُوا۟ يَعْبُدُونَ ٢٢
Verzamel degenen, die onrechtvaardig hebben gehandeld en hunne makkers, en de afgoden welke zij aanbaden
Aantekeningen
مِن دُونِ ٱللَّهِ فَٱهْدُوهُمْ إِلَىٰ صِرَٰطِ ٱلْجَحِيمِ ٢٣
Naast God, en leidt hen op den weg der hel
Aantekeningen
وَقِفُوهُمْ إِنَّهُم مَّسْـُٔولُونَ ٢٤
En plaats hen voor Gods vierschaar; want zij zullen geroepen worden om rekenschap af te leggen
Aantekeningen
مَا لَكُمْ لَا تَنَاصَرُونَ ٢٥
Wat deert u, dat gij elkander niet verdedigt
Aantekeningen
بَلْ هُمُ ٱلْيَوْمَ مُسْتَسْلِمُونَ ٢٦
Maar op dien dag zullen zij zich aan Gods oordeel onderwerpen
Aantekeningen
وَأَقْبَلَ بَعْضُهُمْ عَلَىٰ بَعْضٍ يَتَسَآءَلُونَ ٢٧
En zij zullen elkander naderen en onder elkander twisten
Aantekeningen
قَالُوٓا۟ إِنَّكُمْ كُنتُمْ تَأْتُونَنَا عَنِ ٱلْيَمِينِ ٢٨
En de verleiden zullen zeggen tot hen die hen hebben verleid: Waarlijk, gij kwaamt tot ons met voorspellingen van voorspoed
Aantekeningen
قَالُوا۟ بَل لَّمْ تَكُونُوا۟ مُؤْمِنِينَ ٢٩
En de verleiders zullen antwoorden: Neen! gij waart veeleer geene ware geloovigen
Aantekeningen
وَمَا كَانَ لَنَا عَلَيْكُم مِّن سُلْطَٰنٍۭ بَلْ كُنتُمْ قَوْمًا طَٰغِينَ ٣٠
Want wij hadden geene macht over u, om u te dwingen, maar gij hebt vrijwillig gezondigd
Aantekeningen
فَحَقَّ عَلَيْنَا قَوْلُ رَبِّنَآ إِنَّا لَذَآئِقُونَ ٣١
Daarom werd het vonnis van onzen Heer rechtvaardig over ons uitgesproken, en wij zullen zekerlijk zijne wraak proeven
Aantekeningen
فَأَغْوَيْنَٰكُمْ إِنَّا كُنَّا غَٰوِينَ ٣٢
Wij verleidden u, maar wij dwaalden ook zelven
Aantekeningen
فَإِنَّهُمْ يَوْمَئِذٍ فِى ٱلْعَذَابِ مُشْتَرِكُونَ ٣٣
Zij zullen op dezen dag dus beiden deelgenooten van dezelfde straf zijn
Aantekeningen
إِنَّا كَذَٰلِكَ نَفْعَلُ بِٱلْمُجْرِمِينَ ٣٤
Zoo zullen wij met de zondaren handelen
Aantekeningen
إِنَّهُمْ كَانُوٓا۟ إِذَا قِيلَ لَهُمْ لَآ إِلَٰهَ إِلَّا ٱللَّهُ يَسْتَكْبِرُونَ ٣٥
Want toen er tot hen werd gezegd: Er is geen god buiten den waren God, bliezen zij zich op met hoogmoed
Aantekeningen
وَيَقُولُونَ أَئِنَّا لَتَارِكُوٓا۟ ءَالِهَتِنَا لِشَاعِرٍ مَّجْنُونٍۭ ٣٦
En zeiden: zullen wij onze goden voor een bezeten dichter verlaten
Aantekeningen
بَلْ جَآءَ بِٱلْحَقِّ وَصَدَّقَ ٱلْمُرْسَلِينَ ٣٧
Neen! hij komt met de waarheid en legt getuigenis af voor de vroegere gezanten
Aantekeningen
إِنَّكُمْ لَذَآئِقُوا۟ ٱلْعَذَابِ ٱلْأَلِيمِ ٣٨
Gij zult zekerlijk de pijnlijke martelingen der hel proeven
Aantekeningen
وَمَا تُجْزَوْنَ إِلَّا مَا كُنتُمْ تَعْمَلُونَ ٣٩
En gij zult niet vergolden worden, dan overeenkomstig uwe werken
Aantekeningen
إِلَّا عِبَادَ ٱللَّهِ ٱلْمُخْلَصِينَ ٤٠
Maar wat de oprechte dienaren Gods betreft
Aantekeningen
أُو۟لَٰٓئِكَ لَهُمْ رِزْقٌ مَّعْلُومٌ ٤١
Zij zullen een zekeren voorraad in het paradijs hebben
Aantekeningen
فَوَٰكِهُ وَهُم مُّكْرَمُونَ ٤٢
Namelijk heerlijke vruchten, en zij zullen geëerd worden
Aantekeningen
فِى جَنَّٰتِ ٱلنَّعِيمِ ٤٣
Zij zullen in tuinen des vermaaks geplaatst worden
Aantekeningen
عَلَىٰ سُرُرٍ مُّتَقَٰبِلِينَ ٤٤
Leunende in tegenover elkander geplaatste zetels
Aantekeningen
يُطَافُ عَلَيْهِم بِكَأْسٍ مِّن مَّعِينٍۭ ٤٥
Een beker zal onder hen worden rondgereikt, gevuld aan eene heldere fontein
Aantekeningen
بَيْضَآءَ لَذَّةٍ لِّلشَّٰرِبِينَ ٤٦
Een heerlijkheid voor hen, die er van zullen drinken
Aantekeningen
لَا فِيهَا غَوْلٌ وَلَا هُمْ عَنْهَا يُنزَفُونَ ٤٧
Het zal het verstand niet benevelen, en zij zullen er niet door bedwelmd worden
Aantekeningen
وَعِندَهُمْ قَٰصِرَٰتُ ٱلطَّرْفِ عِينٌ ٤٨
En nabij hen zullen de maagden van het paradijs liggen, hare blikken, behalve van hunne bruidegommen, van ieder een afwendende, hebbende groote, zwarte oogen
Aantekeningen
كَأَنَّهُنَّ بَيْضٌ مَّكْنُونٌ ٤٩
En gelijkende op de eieren van een struisvogel, zorgvol met vederen bedekt
Aantekeningen
فَأَقْبَلَ بَعْضُهُمْ عَلَىٰ بَعْضٍ يَتَسَآءَلُونَ ٥٠
En zij zullen zich tot elkander wenden, en elkander vragen doen
Aantekeningen
قَالَ قَآئِلٌ مِّنْهُمْ إِنِّى كَانَ لِى قَرِينٌ ٥١
En een van hen zal zeggen: Waarlijk, ik had een vertrouwden vriend, terwijl ik op de wereld leefde
Aantekeningen
يَقُولُ أَءِنَّكَ لَمِنَ ٱلْمُصَدِّقِينَ ٥٢
Die tot mij zeide: Zijt gij een van hen, die de waarheid der opstanding betuigen
Aantekeningen
أَءِذَا مِتْنَا وَكُنَّا تُرَابًا وَعِظَٰمًا أَءِنَّا لَمَدِينُونَ ٥٣
Nadat wij dood zullen zijn, en tot stof en beenderen veranderd wezen, zullen wij dan zekerlijk worden geoordeeld
Aantekeningen
قَالَ هَلْ أَنتُم مُّطَّلِعُونَ ٥٤
Dan zal hij tot zijne makkers zeggen: Wilt gij nederzien
Aantekeningen
فَٱطَّلَعَ فَرَءَاهُ فِى سَوَآءِ ٱلْجَحِيمِ ٥٥
En zij zullen nederzien en hem in het midden der hel ontwaren
Aantekeningen
قَالَ تَٱللَّهِ إِن كِدتَّ لَتُرْدِينِ ٥٦
En hij zal tot hem zeggen: Bij God! er ontbrak weinig aan, of gij hadt mij verdorven
Aantekeningen
وَلَوْلَا نِعْمَةُ رَبِّى لَكُنتُ مِنَ ٱلْمُحْضَرِينَ ٥٧
En was het niet door de genade van mijnen Heer, dan ware ik zeker aan eene eeuwige marteling overgeleverd geworden
Aantekeningen
أَفَمَا نَحْنُ بِمَيِّتِينَ ٥٨
Zullen wij een anderen dan onzen eersten dood sterven
Aantekeningen
إِلَّا مَوْتَتَنَا ٱلْأُولَىٰ وَمَا نَحْنُ بِمُعَذَّبِينَ ٥٩
Of ondergaan wij eenige straf
Aantekeningen
إِنَّ هَٰذَا لَهُوَ ٱلْفَوْزُ ٱلْعَظِيمُ ٦٠
Waarlijk, wij genieten eene groote gelukzaligheid
Aantekeningen
لِمِثْلِ هَٰذَا فَلْيَعْمَلِ ٱلْعَٰمِلُونَ ٦١
Laten de arbeiders arbeiden om eene gelukzaligheid gelijk deze te verwerven
Aantekeningen
أَذَٰلِكَ خَيْرٌ نُّزُلًا أَمْ شَجَرَةُ ٱلزَّقُّومِ ٦٢
Is dit een beter onthaal, of de boom van al Zakkum
Aantekeningen
إِنَّا جَعَلْنَٰهَا فِتْنَةً لِّلظَّٰلِمِينَ ٦٣
Waarlijk, wij hebben dien aangeduid als eene aanleiding tot twist onder de onrechtvaardigen
Aantekeningen
إِنَّهَا شَجَرَةٌ تَخْرُجُ فِىٓ أَصْلِ ٱلْجَحِيمِ ٦٤
Het is een boom die aan den bodem der hel ontspruit
Aantekeningen
طَلْعُهَا كَأَنَّهُۥ رُءُوسُ ٱلشَّيَٰطِينِ ٦٥
De vrucht daarvan gelijkt op de hoofden van duivelen
Aantekeningen
فَإِنَّهُمْ لَـَٔاكِلُونَ مِنْهَا فَمَالِـُٔونَ مِنْهَا ٱلْبُطُونَ ٦٦
De verdoemden zullen daarvan eten, en hunne buiken daarmede vullen
Aantekeningen
ثُمَّ إِنَّ لَهُمْ عَلَيْهَا لَشَوْبًا مِّنْ حَمِيمٍ ٦٧
Vervolgens zal hun een mengsel van vuil en kokend water te drinken worden gegeven
Aantekeningen
ثُمَّ إِنَّ مَرْجِعَهُمْ لَإِلَى ٱلْجَحِيمِ ٦٨
Daarna zullen zij in de hel terugkeeren
Aantekeningen
إِنَّهُمْ أَلْفَوْا۟ ءَابَآءَهُمْ ضَآلِّينَ ٦٩
Zij bevonden dat hunne vaderen dwalende waren
Aantekeningen
فَهُمْ عَلَىٰٓ ءَاثَٰرِهِمْ يُهْرَعُونَ ٧٠
En zij traden haastig in hunne voetstappen
Aantekeningen
وَلَقَدْ ضَلَّ قَبْلَهُمْ أَكْثَرُ ٱلْأَوَّلِينَ ٧١
Want het meerendeel der oude volken dwaalden vóór hen
Aantekeningen
وَلَقَدْ أَرْسَلْنَا فِيهِم مُّنذِرِينَ ٧٢
Wij zonden vroeger waarschuwers tot hen
Aantekeningen
فَٱنظُرْ كَيْفَ كَانَ عَٰقِبَةُ ٱلْمُنذَرِينَ ٧٣
Maar zie hoe ellendig het einde was van degenen, die gewaarschuwd werden
Aantekeningen
إِلَّا عِبَادَ ٱللَّهِ ٱلْمُخْلَصِينَ ٧٤
En die niet onze oprechte dienaren waren
Aantekeningen
وَلَقَدْ نَادَىٰنَا نُوحٌ فَلَنِعْمَ ٱلْمُجِيبُونَ ٧٥
Noach riep ons in vroegere dagen aan, en wij verhoorden hem genadiglijk
Aantekeningen
وَنَجَّيْنَٰهُ وَأَهْلَهُۥ مِنَ ٱلْكَرْبِ ٱلْعَظِيمِ ٧٦
En wij bevrijdden hem en zijn gezin uit de groote ellende
Aantekeningen
وَجَعَلْنَا ذُرِّيَّتَهُۥ هُمُ ٱلْبَاقِينَ ٧٧
Wij deden zijne nakomelingschap den zondvloed overleven, om de aarde te bevolken
Aantekeningen
وَتَرَكْنَا عَلَيْهِ فِى ٱلْـَٔاخِرِينَ ٧٨
En wij lieten hem de volgende begroeting door de verste nakomelingschap geven
Aantekeningen
سَلَٰمٌ عَلَىٰ نُوحٍ فِى ٱلْعَٰلَمِينَ ٧٩
Vrede zij op Noach onder alle schepselen
Aantekeningen
إِنَّا كَذَٰلِكَ نَجْزِى ٱلْمُحْسِنِينَ ٨٠
Zoo beloonen wij de rechtvaardigen
Aantekeningen
إِنَّهُۥ مِنْ عِبَادِنَا ٱلْمُؤْمِنِينَ ٨١
Want hij was een van onze dienaren, de ware geloovigen
Aantekeningen
ثُمَّ أَغْرَقْنَا ٱلْـَٔاخَرِينَ ٨٢
Daarna verdronken wij de anderen
Aantekeningen
وَإِنَّ مِن شِيعَتِهِۦ لَإِبْرَٰهِيمَ ٨٣
Abraham was mede van zijnen godsdienst
Aantekeningen
إِذْ جَآءَ رَبَّهُۥ بِقَلْبٍ سَلِيمٍ ٨٤
Toen hij met een volkomen hart tot zijn Heer kwam
Aantekeningen
إِذْ قَالَ لِأَبِيهِ وَقَوْمِهِۦ مَاذَا تَعْبُدُونَ ٨٥
Toen hij tot zijn vader en zijn volk zeide: Wat vreest gij
Aantekeningen
أَئِفْكًا ءَالِهَةً دُونَ ٱللَّهِ تُرِيدُونَ ٨٦
Kiest gij bij voorkeur valsche goden boven den waren God
Aantekeningen
فَمَا ظَنُّكُم بِرَبِّ ٱلْعَٰلَمِينَ ٨٧
Wat is dus uwe meening opzichtens den Heer aller schepselen
Aantekeningen
فَنَظَرَ نَظْرَةً فِى ٱلنُّجُومِ ٨٨
En hij beschouwde de sterren
Aantekeningen
فَقَالَ إِنِّى سَقِيمٌ ٨٩
En zeide: Waarlijk, ik zal ziek wezen en niet bij uwe offeringen tegenwoordig zijn
Aantekeningen
فَتَوَلَّوْا۟ عَنْهُ مُدْبِرِينَ ٩٠
En zij keerden zich af en verlieten hem
Aantekeningen
فَرَاغَ إِلَىٰٓ ءَالِهَتِهِمْ فَقَالَ أَلَا تَأْكُلُونَ ٩١
En Abraham wendde zich in het geheim tot hunne goden, en zeide spottende tot hen: Eet gij niet van het vleesch dat u is voorgezet
Aantekeningen
مَا لَكُمْ لَا تَنطِقُونَ ٩٢
Wat deert u, dat gij niet spreekt
Aantekeningen
فَرَاغَ عَلَيْهِمْ ضَرْبًۢا بِٱلْيَمِينِ ٩٣
En hij keerde zich tot hen, en sloeg hen met zijne rechterhand en vernietigde hen
Aantekeningen
فَأَقْبَلُوٓا۟ إِلَيْهِ يَزِفُّونَ ٩٤
En zijn volk kwam haastig tot hem
Aantekeningen
قَالَ أَتَعْبُدُونَ مَا تَنْحِتُونَ ٩٥
Hij zeide: Aanbidt gij de beelden die gij zelven snijdt
Aantekeningen
وَٱللَّهُ خَلَقَكُمْ وَمَا تَعْمَلُونَ ٩٦
Terwijl God u heeft geschapen en ook datgene wat gij maakt
Aantekeningen
قَالُوا۟ ٱبْنُوا۟ لَهُۥ بُنْيَٰنًا فَأَلْقُوهُ فِى ٱلْجَحِيمِ ٩٧
Zij zeiden: Richt een brandstapel voor hem op en werp hem in het gloeiende vuur
Aantekeningen
فَأَرَادُوا۟ بِهِۦ كَيْدًا فَجَعَلْنَٰهُمُ ٱلْأَسْفَلِينَ ٩٨
En zij smeedden eene list tegen hem. Maar wij deden hem het onderspit delven en bevrijdden hem
Aantekeningen
وَقَالَ إِنِّى ذَاهِبٌ إِلَىٰ رَبِّى سَيَهْدِينِ ٩٩
En Abraham zeide: Waarlijk, ik ga tot mijnen Heer, die mij zal richten
Aantekeningen
رَبِّ هَبْ لِى مِنَ ٱلصَّٰلِحِينَ ١٠٠
O Heer! geef mij eene rechtvaardige nakomelingschap
Aantekeningen
فَبَشَّرْنَٰهُ بِغُلَٰمٍ حَلِيمٍ ١٠١
Daarom maakten wij hem bekend, dat hij een zoon zou bekomen, die een zachten aard zou hebben
Aantekeningen
فَلَمَّا بَلَغَ مَعَهُ ٱلسَّعْىَ قَالَ يَٰبُنَىَّ إِنِّىٓ أَرَىٰ فِى ٱلْمَنَامِ أَنِّىٓ أَذْبَحُكَ فَٱنظُرْ مَاذَا تَرَىٰ قَالَ يَٰٓأَبَتِ ٱفْعَلْ مَا تُؤْمَرُ سَتَجِدُنِىٓ إِن شَآءَ ٱللَّهُ مِنَ ٱلصَّٰبِرِينَ ١٠٢
En toen hij den ouderdom der jongelingschap had bereikt, en zich met hem in de verrichtingen van den godsdienst kon vereenigen. Zeide Abraham tot hem: O mijn zoon! waarlijk, ik zag in een droom, dat ik u als eene offerande zoude aanbieden. Overweeg dus wat gij meent, dat ik zal doen. Hij antwoordde: O mijn vader! doe wat u bevolen werd; indien het Gode behaagt, zult gij bevinden dat ik het lijdzaam zal ondergaan
Aantekeningen
فَلَمَّآ أَسْلَمَا وَتَلَّهُۥ لِلْجَبِينِ ١٠٣
En toen zij beiden zich aan den goddelijken wil hadden onderworpen, en Abraham zijn zoon voorover op het aangezicht had gelegd
Aantekeningen
وَنَٰدَيْنَٰهُ أَن يَٰٓإِبْرَٰهِيمُ ١٠٤
Riepen wij hem toe: O Abraham
Aantekeningen
قَدْ صَدَّقْتَ ٱلرُّءْيَآ إِنَّا كَذَٰلِكَ نَجْزِى ٱلْمُحْسِنِينَ ١٠٥
Gij hebt aan uw visioen geloofd. Zoo beloonen wij den rechtvaardige
Aantekeningen
إِنَّ هَٰذَا لَهُوَ ٱلْبَلَٰٓؤُا۟ ٱلْمُبِينُ ١٠٦
Waarlijk, dit was eene duidelijke proef
Aantekeningen
وَفَدَيْنَٰهُ بِذِبْحٍ عَظِيمٍ ١٠٧
En wij losten zijn zoon met een edel slachtoffer uit
Aantekeningen
وَتَرَكْنَا عَلَيْهِ فِى ٱلْـَٔاخِرِينَ ١٠٨
En wij lieten hem de volgende groete door de verste nakomelingschap bewaren
Aantekeningen
سَلَٰمٌ عَلَىٰٓ إِبْرَٰهِيمَ ١٠٩
Namelijk: Vrede zij op Abraham
Aantekeningen
كَذَٰلِكَ نَجْزِى ٱلْمُحْسِنِينَ ١١٠
Zoo beloonen wij den rechtvaardige
Aantekeningen
إِنَّهُۥ مِنْ عِبَادِنَا ٱلْمُؤْمِنِينَ ١١١
Want hij was een onzer geloovige dienaren
Aantekeningen
وَبَشَّرْنَٰهُ بِإِسْحَٰقَ نَبِيًّا مِّنَ ٱلصَّٰلِحِينَ ١١٢
Wij verblijdden hem met de belofte van Izaäk, een rechtvaardigen profeet
Aantekeningen
وَبَٰرَكْنَا عَلَيْهِ وَعَلَىٰٓ إِسْحَٰقَ وَمِن ذُرِّيَّتِهِمَا مُحْسِنٌ وَظَالِمٌ لِّنَفْسِهِۦ مُبِينٌ ١١٣
En wij zegenden hem en Izaäk; en onder hunne nakomelingschap waren eenige rechtvaardigen, en anderen, die klaarblijkelijk hunne eigene zielen nadeel toebrachten
Aantekeningen
وَلَقَدْ مَنَنَّا عَلَىٰ مُوسَىٰ وَهَٰرُونَ ١١٤
Wij waren ook vroeger genadig omtrent Mozes en Aäron
Aantekeningen
وَنَجَّيْنَٰهُمَا وَقَوْمَهُمَا مِنَ ٱلْكَرْبِ ٱلْعَظِيمِ ١١٥
En wij bevrijdden hen en hun volk van eene groote ellende
Aantekeningen
وَنَصَرْنَٰهُمْ فَكَانُوا۟ هُمُ ٱلْغَٰلِبِينَ ١١٦
Wij ondersteunden hen tegen de Egyptenaren, en zij werden overwinnaars
Aantekeningen
وَءَاتَيْنَٰهُمَا ٱلْكِتَٰبَ ٱلْمُسْتَبِينَ ١١٧
Wij gaven hun het duidelijke boek der wet
Aantekeningen
وَهَدَيْنَٰهُمَا ٱلصِّرَٰطَ ٱلْمُسْتَقِيمَ ١١٨
Wij leidden hen op den rechten weg
Aantekeningen
وَتَرَكْنَا عَلَيْهِمَا فِى ٱلْـَٔاخِرِينَ ١١٩
En wij lieten de volgende groete door de verste nakomelingschap voor hen bewaren
Aantekeningen
سَلَٰمٌ عَلَىٰ مُوسَىٰ وَهَٰرُونَ ١٢٠
Namelijk: Vrede zij op Mozes en Aäron
Aantekeningen
إِنَّا كَذَٰلِكَ نَجْزِى ٱلْمُحْسِنِينَ ١٢١
Zoo beloonen wij de rechtvaardigen
Aantekeningen
إِنَّهُمَا مِنْ عِبَادِنَا ٱلْمُؤْمِنِينَ ١٢٢
Want zij waren twee onzer geloovige dienaren
Aantekeningen
وَإِنَّ إِلْيَاسَ لَمِنَ ٱلْمُرْسَلِينَ ١٢٣
En Elias was mede een dergenen, die door ons werden gezonden
Aantekeningen
إِذْ قَالَ لِقَوْمِهِۦٓ أَلَا تَتَّقُونَ ١٢٤
Toen hij tot zijn volk zeide: Vreest gij God niet
Aantekeningen
أَتَدْعُونَ بَعْلًا وَتَذَرُونَ أَحْسَنَ ٱلْخَٰلِقِينَ ١٢٥
Roept gij Baal aan, en verzaakt gij den uitmuntendsten schepper
Aantekeningen
ٱللَّهَ رَبَّكُمْ وَرَبَّ ءَابَآئِكُمُ ٱلْأَوَّلِينَ ١٢٦
God is uw Heer en de Heer uwer voorvaderen
Aantekeningen
فَكَذَّبُوهُ فَإِنَّهُمْ لَمُحْضَرُونَ ١٢٧
Maar zij beschuldigden hem van bedrog
Aantekeningen
إِلَّا عِبَادَ ٱللَّهِ ٱلْمُخْلَصِينَ ١٢٨
Weshalve zij aan de eeuwige straf zullen worden overgeleverd, behalve de oprechte dienaren Gods
Aantekeningen
وَتَرَكْنَا عَلَيْهِ فِى ٱلْـَٔاخِرِينَ ١٢٩
En wij lieten de volgende groete door de verste nakomelingschap voor hem bewaren
Aantekeningen
سَلَٰمٌ عَلَىٰٓ إِلْ يَاسِينَ ١٣٠
Namelijk: Vrede zij op Ilyasin
Aantekeningen
إِنَّا كَذَٰلِكَ نَجْزِى ٱلْمُحْسِنِينَ ١٣١
Zoo beloonen wij den rechtvaardige
Aantekeningen
إِنَّهُۥ مِنْ عِبَادِنَا ٱلْمُؤْمِنِينَ ١٣٢
Want hij was een onzer geloovige dienaren
Aantekeningen
وَإِنَّ لُوطًا لَّمِنَ ٱلْمُرْسَلِينَ ١٣٣
En Lot was mede een dergenen, die door ons werden gezonden
Aantekeningen
إِذْ نَجَّيْنَٰهُ وَأَهْلَهُۥٓ أَجْمَعِينَ ١٣٤
Toen wij hem en zijn geheel gezin bevrijden
Aantekeningen
إِلَّا عَجُوزًا فِى ٱلْغَٰبِرِينَ ١٣٥
Behalve eene oude vrouw, zijne huisvrouw, die omkwam met hen die achterbleven
Aantekeningen
ثُمَّ دَمَّرْنَا ٱلْـَٔاخَرِينَ ١٣٦
Daarna verdelgden wij de anderen
Aantekeningen
وَإِنَّكُمْ لَتَمُرُّونَ عَلَيْهِم مُّصْبِحِينَ ١٣٧
En gij, o bewoners van Mekka! komt de plaatsen voorbij waar zij eens hebben gewoond, als gij des ochtends reist
Aantekeningen
وَبِٱلَّيْلِ أَفَلَا تَعْقِلُونَ ١٣٨
En des nachts. Zult gij dan niet begrijpen
Aantekeningen
وَإِنَّ يُونُسَ لَمِنَ ٱلْمُرْسَلِينَ ١٣٩
Jonas was mede een dergenen die door ons werden gezonden
Aantekeningen
إِذْ أَبَقَ إِلَى ٱلْفُلْكِ ٱلْمَشْحُونِ ١٤٠
Toen hij in een geladen schip vluchtte
Aantekeningen
فَسَاهَمَ فَكَانَ مِنَ ٱلْمُدْحَضِينَ ١٤١
En zij die aan boord waren, lootten onder elkander en hij werd veroordeeld
Aantekeningen
فَٱلْتَقَمَهُ ٱلْحُوتُ وَهُوَ مُلِيمٌ ١٤٢
En de visch verzwolg hem; want hij had eene bestraffing verdiend
Aantekeningen
فَلَوْلَآ أَنَّهُۥ كَانَ مِنَ ٱلْمُسَبِّحِينَ ١٤٣
En indien hij niet eene ware geweest van hen die God loven
Aantekeningen
لَلَبِثَ فِى بَطْنِهِۦٓ إِلَىٰ يَوْمِ يُبْعَثُونَ ١٤٤
Waarlijk, dan ware hij, tot den dag der opstanding, in den buik van den visch gebleven
Aantekeningen
فَنَبَذْنَٰهُ بِٱلْعَرَآءِ وَهُوَ سَقِيمٌ ١٤٥
En wij wierpen hem op het naakte strand, en hij was ziek
Aantekeningen
وَأَنۢبَتْنَا عَلَيْهِ شَجَرَةً مِّن يَقْطِينٍ ١٤٦
Wij deden een pompoenplant over hem heen groeien
Aantekeningen
وَأَرْسَلْنَٰهُ إِلَىٰ مِا۟ئَةِ أَلْفٍ أَوْ يَزِيدُونَ ١٤٧
Wij zonden hem daarna tot een volk van honderdduizend zielen of meer
Aantekeningen
فَـَٔامَنُوا۟ فَمَتَّعْنَٰهُمْ إِلَىٰ حِينٍ ١٤٨
En zij geloofden: daarom lieten wij hun dit leven nog voor eenigen tijd genieten
Aantekeningen
فَٱسْتَفْتِهِمْ أَلِرَبِّكَ ٱلْبَنَاتُ وَلَهُمُ ٱلْبَنُونَ ١٤٩
Vraag aan de bewoners van Mekka of uw Heer dochters heeft gelijk zij zonen hebben
Aantekeningen
أَمْ خَلَقْنَا ٱلْمَلَٰٓئِكَةَ إِنَٰثًا وَهُمْ شَٰهِدُونَ ١٥٠
Hebben wij ook de engelen van het vrouwelijke geslacht geschapen, en waren zij er getuigen van
Aantekeningen
أَلَآ إِنَّهُم مِّنْ إِفْكِهِمْ لَيَقُولُونَ ١٥١
Zeggen zij niet, volgens hunne eigene, valsche uitvinding
Aantekeningen
وَلَدَ ٱللَّهُ وَإِنَّهُمْ لَكَٰذِبُونَ ١٥٢
God heeft eene nakomelingschap gebaard? en zij zijn niet werkelijk leugenaars
Aantekeningen
أَصْطَفَى ٱلْبَنَاتِ عَلَى ٱلْبَنِينَ ١٥٣
Heeft hij bij voorkeur dochters boven zonen verkozen
Aantekeningen
مَا لَكُمْ كَيْفَ تَحْكُمُونَ ١٥٤
Gij hebt geene reden aldus te oordeelen
Aantekeningen
أَفَلَا تَذَكَّرُونَ ١٥٥
Wilt gij dus niet vermaand wezen
Aantekeningen
أَمْ لَكُمْ سُلْطَٰنٌ مُّبِينٌ ١٥٦
Of hebt gij een duidelijk bewijs voor hetgeen gij zegt
Aantekeningen
فَأْتُوا۟ بِكِتَٰبِكُمْ إِن كُنتُمْ صَٰدِقِينَ ١٥٧
Brengt thans uw boek der openbaringen voor den dag, indien gij de waarheid spreekt
Aantekeningen
وَجَعَلُوا۟ بَيْنَهُۥ وَبَيْنَ ٱلْجِنَّةِ نَسَبًا وَلَقَدْ عَلِمَتِ ٱلْجِنَّةُ إِنَّهُمْ لَمُحْضَرُونَ ١٥٨
En zij maken hem tot een verwante der geniussen, terwijl de geniussen weten, dat hij, die zulke dingen verklaart, aan de eeuwige straf zal worden overgeleverd
Aantekeningen
سُبْحَٰنَ ٱللَّهِ عَمَّا يَصِفُونَ ١٥٩
God is verheven, boven datgene wat zij nopens hem verklaren
Aantekeningen
إِلَّا عِبَادَ ٱللَّهِ ٱلْمُخْلَصِينَ ١٦٠
Maar niet Gods oprechte dienaren
Aantekeningen
فَإِنَّكُمْ وَمَا تَعْبُدُونَ ١٦١
Maar gij en de goden, welke gij aanbidt
Aantekeningen
مَآ أَنتُمْ عَلَيْهِ بِفَٰتِنِينَ ١٦٢
Zullen niemand nopens God verleiden
Aantekeningen
إِلَّا مَنْ هُوَ صَالِ ٱلْجَحِيمِ ١٦٣
Behalve hem die bestemd is om in de hel verbrand te worden
Aantekeningen
وَمَا مِنَّآ إِلَّا لَهُۥ مَقَامٌ مَّعْلُومٌ ١٦٤
Er is niemand van ons, of hij heeft een bestemde plaats
Aantekeningen
وَإِنَّا لَنَحْنُ ٱلصَّآفُّونَ ١٦٥
Wij scharen ons in orde
Aantekeningen
وَإِنَّا لَنَحْنُ ٱلْمُسَبِّحُونَ ١٦٦
Gods bevelen afwachtende, en wij verkondigen den goddelijken lof
Aantekeningen
وَإِن كَانُوا۟ لَيَقُولُونَ ١٦٧
De ongeloovigen zeiden
Aantekeningen
لَوْ أَنَّ عِندَنَا ذِكْرًا مِّنَ ٱلْأَوَّلِينَ ١٦٨
Indien wij door een boek met goddelijke openbaringen waren begunstigd geworden, van diegene welke aan de ouden werden geschonken
Aantekeningen
لَكُنَّا عِبَادَ ٱللَّهِ ٱلْمُخْلَصِينَ ١٦٩
Zouden wij zeker oprechte dienaren Gods zijn geweest
Aantekeningen
فَكَفَرُوا۟ بِهِۦ فَسَوْفَ يَعْلَمُونَ ١٧٠
Maar thans, nu de Koran is geopenbaard, gelooven zij daarin niet; doch hier namaals zullen zij het gevolg van hun ongeloof kennen
Aantekeningen
وَلَقَدْ سَبَقَتْ كَلِمَتُنَا لِعِبَادِنَا ٱلْمُرْسَلِينَ ١٧١
Ons woord werd vroeger aan onze dienaren, de gezanten, gegeven
Aantekeningen
إِنَّهُمْ لَهُمُ ٱلْمَنصُورُونَ ١٧٢
Dat zij zekerlijk tegen de ongeloovigen zouden ondersteund worden
Aantekeningen
وَإِنَّ جُندَنَا لَهُمُ ٱلْغَٰلِبُونَ ١٧٣
En dat onze legers de overwinning zouden behalen
Aantekeningen
فَتَوَلَّ عَنْهُمْ حَتَّىٰ حِينٍ ١٧٤
Wend u dus gedurende eenen tijd van hen af
Aantekeningen
وَأَبْصِرْهُمْ فَسَوْفَ يُبْصِرُونَ ١٧٥
En zie de rampen die hen zullen bedroeven; want zij zullen uwe toekomstige overwinning en uwen voorspoed zien
Aantekeningen
أَفَبِعَذَابِنَا يَسْتَعْجِلُونَ ١٧٦
Trachten zij daarom onze wraak te verhaasten
Aantekeningen
فَإِذَا نَزَلَ بِسَاحَتِهِمْ فَسَآءَ صَبَاحُ ٱلْمُنذَرِينَ ١٧٧
Waarlijk, wanneer die in hunne afgesloten hoven zal nederdalen, zal het een slechte ochtend zijn voor hen, die te vergeefs werden gewaarschuwd
Aantekeningen
وَتَوَلَّ عَنْهُمْ حَتَّىٰ حِينٍ ١٧٨
Wend u dus voor eenigen tijd van hen af
Aantekeningen
وَأَبْصِرْ فَسَوْفَ يُبْصِرُونَ ١٧٩
Hierna zullen zij uwe overwinning en hunne straf ontwaren
Aantekeningen
سُبْحَٰنَ رَبِّكَ رَبِّ ٱلْعِزَّةِ عَمَّا يَصِفُونَ ١٨٠
Geloofd zij uw Heer, de Heer die verre verheven is boven hetgeen zij van hem verklaren
Aantekeningen
وَسَلَٰمٌ عَلَى ٱلْمُرْسَلِينَ ١٨١
Vrede zij op zijne gezanten
Aantekeningen
وَٱلْحَمْدُ لِلَّهِ رَبِّ ٱلْعَٰلَمِينَ ١٨٢
En geloofd zij God, de Heer van alle schepselen