بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ
وَٱلنَّجْمِ إِذَا هَوَىٰ ١
Ik zweer bij de ster als zij ondergaat
Aantekeningen
مَا ضَلَّ صَاحِبُكُمْ وَمَا غَوَىٰ ٢
Uw makker Mahomet dwaalt niet, en hij is niet afgeleid
Aantekeningen
وَمَا يَنطِقُ عَنِ ٱلْهَوَىٰٓ ٣
Evenmin als hij door zijn eigen wil spreekt
Aantekeningen
إِنْ هُوَ إِلَّا وَحْىٌ يُوحَىٰ ٤
Het is niets anders dan eene openbaring die hem gedaan werd
Aantekeningen
عَلَّمَهُۥ شَدِيدُ ٱلْقُوَىٰ ٥
Een die machtig is in macht. Leerde het hem
Aantekeningen
ذُو مِرَّةٍ فَٱسْتَوَىٰ ٦
Een met verstand begaafd
Aantekeningen
وَهُوَ بِٱلْأُفُقِ ٱلْأَعْلَىٰ ٧
En hij verscheen in het hoogste gedeelte van den gezichteinder
Aantekeningen
ثُمَّ دَنَا فَتَدَلَّىٰ ٨
Daarna naderde hij den profeet en kwam immer nader tot hem
Aantekeningen
فَكَانَ قَابَ قَوْسَيْنِ أَوْ أَدْنَىٰ ٩
Tot hij op twee ellebogen afstands van hem, of nog nader was
Aantekeningen
فَأَوْحَىٰٓ إِلَىٰ عَبْدِهِۦ مَآ أَوْحَىٰ ١٠
En hij openbaarde zijn dienaar, wat deze openbaarde
Aantekeningen
مَا كَذَبَ ٱلْفُؤَادُ مَا رَأَىٰٓ ١١
Het hart van Mahomet stelde datgene wat hij gezien had, niet valschelijk voor
Aantekeningen
أَفَتُمَٰرُونَهُۥ عَلَىٰ مَا يَرَىٰ ١٢
Wilt gij dus met hem twisten, nopens hetgeen hij zag
Aantekeningen
وَلَقَدْ رَءَاهُ نَزْلَةً أُخْرَىٰ ١٣
Hij zag hem ook op een anderen tijd
Aantekeningen
عِندَ سِدْرَةِ ٱلْمُنتَهَىٰ ١٤
Bij den lotus-boom, naast welken geen doorgang is
Aantekeningen
عِندَهَا جَنَّةُ ٱلْمَأْوَىٰٓ ١٥
Het is nabij den tuin van eeuwig verblijf
Aantekeningen
إِذْ يَغْشَى ٱلسِّدْرَةَ مَا يَغْشَىٰ ١٦
Toen de lotus-boom bedekte, datgene wat bedekt is
Aantekeningen
مَا زَاغَ ٱلْبَصَرُ وَمَا طَغَىٰ ١٧
Wendde zijn oog zich niet af, en dwaalde evenmin
Aantekeningen
لَقَدْ رَأَىٰ مِنْ ءَايَٰتِ رَبِّهِ ٱلْكُبْرَىٰٓ ١٨
En hij aanschouwde werkelijk sommige der grootste teekenen van zijn Heer
Aantekeningen
أَفَرَءَيْتُمُ ٱللَّٰتَ وَٱلْعُزَّىٰ ١٩
Wat denkt gij van El-Lat, en al Ozza
Aantekeningen
وَمَنَوٰةَ ٱلثَّالِثَةَ ٱلْأُخْرَىٰٓ ٢٠
En Menat, die andere, derde godin
Aantekeningen
أَلَكُمُ ٱلذَّكَرُ وَلَهُ ٱلْأُنثَىٰ ٢١
Hebt gij mannelijke kinderen, en God vrouwelijke
Aantekeningen
تِلْكَ إِذًا قِسْمَةٌ ضِيزَىٰٓ ٢٢
Dit is dan eene onrechtvaardige verdeeling
Aantekeningen
إِنْ هِىَ إِلَّآ أَسْمَآءٌ سَمَّيْتُمُوهَآ أَنتُمْ وَءَابَآؤُكُم مَّآ أَنزَلَ ٱللَّهُ بِهَا مِن سُلْطَٰنٍ إِن يَتَّبِعُونَ إِلَّا ٱلظَّنَّ وَمَا تَهْوَى ٱلْأَنفُسُ وَلَقَدْ جَآءَهُم مِّن رَّبِّهِمُ ٱلْهُدَىٰٓ ٢٣
Het zijn slechts ijdele namen, welke gij en uwe vaderen godheden hebt genoemd. God heeft nopens hen niets geopenbaard, wat hunne vereering wettigt. Zij volgen slechts eene ijdele meening en wat hunne zielen begeeren; en toch is de ware richting van hunnen Heer tot hen gekomen
Aantekeningen
أَمْ لِلْإِنسَٰنِ مَا تَمَنَّىٰ ٢٤
Zal de mensch alles hebben, waarnaar hij wenscht
Aantekeningen
فَلِلَّهِ ٱلْـَٔاخِرَةُ وَٱلْأُولَىٰ ٢٥
Dit en het volgende leven zijn Gods eigendom
Aantekeningen
وَكَم مِّن مَّلَكٍ فِى ٱلسَّمَٰوَٰتِ لَا تُغْنِى شَفَٰعَتُهُمْ شَيْـًٔا إِلَّا مِنۢ بَعْدِ أَن يَأْذَنَ ٱللَّهُ لِمَن يَشَآءُ وَيَرْضَىٰٓ ٢٦
En hoeveel engelen er ook in den hemel mogen zijn, hunne tusschenkomst zal niets baten. Tot God verlof zal hebben verleend, aan wien hem zal behagen, en zich zijner zal aannemen
Aantekeningen
إِنَّ ٱلَّذِينَ لَا يُؤْمِنُونَ بِٱلْـَٔاخِرَةِ لَيُسَمُّونَ ٱلْمَلَٰٓئِكَةَ تَسْمِيَةَ ٱلْأُنثَىٰ ٢٧
Waarlijk, zij die niet in het volgende leven gelooven, beweren dat de engelen vrouwen zijn
Aantekeningen
وَمَا لَهُم بِهِۦ مِنْ عِلْمٍ إِن يَتَّبِعُونَ إِلَّا ٱلظَّنَّ وَإِنَّ ٱلظَّنَّ لَا يُغْنِى مِنَ ٱلْحَقِّ شَيْـًٔا ٢٨
Doch zij hebben geene kennis daarvan; zij volgen slechts eene bloote meening; en eene bloote meening vervangt geen ding van waarheid
Aantekeningen
فَأَعْرِضْ عَن مَّن تَوَلَّىٰ عَن ذِكْرِنَا وَلَمْ يُرِدْ إِلَّا ٱلْحَيَوٰةَ ٱلدُّنْيَا ٢٩
Wend u dus van hem af, die zich van onze vermaningen afwendt, en alleen naar het tegenwoordige leven haakt
Aantekeningen
ذَٰلِكَ مَبْلَغُهُم مِّنَ ٱلْعِلْمِ إِنَّ رَبَّكَ هُوَ أَعْلَمُ بِمَن ضَلَّ عَن سَبِيلِهِۦ وَهُوَ أَعْلَمُ بِمَنِ ٱهْتَدَىٰ ٣٠
Dit is hunne hoogste trap van kennis. Waarlijk, uw Heer kent hem wel, die van zijnen weg afdwaalt, en hij kent dengeen wel, die op den rechten weg is geleid
Aantekeningen
وَلِلَّهِ مَا فِى ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَمَا فِى ٱلْأَرْضِ لِيَجْزِىَ ٱلَّذِينَ أَسَٰٓـُٔوا۟ بِمَا عَمِلُوا۟ وَيَجْزِىَ ٱلَّذِينَ أَحْسَنُوا۟ بِٱلْحُسْنَى ٣١
Aan God behoort alles, wat zich in den hemel en op de aarde bevindt; hij zal hen vergelden die kwaad verrichten, overeenkomstig datgene wat zij zullen hebben bedreven, en hij zal hen beloonen die goed doen, met de uitmuntendste belooning
Aantekeningen
ٱلَّذِينَ يَجْتَنِبُونَ كَبَٰٓئِرَ ٱلْإِثْمِ وَٱلْفَوَٰحِشَ إِلَّا ٱللَّمَمَ إِنَّ رَبَّكَ وَٰسِعُ ٱلْمَغْفِرَةِ هُوَ أَعْلَمُ بِكُمْ إِذْ أَنشَأَكُم مِّنَ ٱلْأَرْضِ وَإِذْ أَنتُمْ أَجِنَّةٌ فِى بُطُونِ أُمَّهَٰتِكُمْ فَلَا تُزَكُّوٓا۟ أَنفُسَكُمْ هُوَ أَعْلَمُ بِمَنِ ٱتَّقَىٰٓ ٣٢
Wat hen betreft, die groote misdaden en hatelijke zonden vermijden en alleen lichtere feilen begaan, waarlijk, hun Heer zal hun ruime genade verleenen. Hij kende u wel, toen hij u uit de aarde voortbracht, en toen gij vruchten in uw moeders schoot waart. Rechtvaardigt u zelven dus niet; hij kent het best den mensch die hem vreest
Aantekeningen
أَفَرَءَيْتَ ٱلَّذِى تَوَلَّىٰ ٣٣
Wat denkt gij van hem, die zich van den weg der waarheid afwendt
Aantekeningen
وَأَعْطَىٰ قَلِيلًا وَأَكْدَىٰٓ ٣٤
En weinig geeft en begeerlijk zijne hand ophoudt
Aantekeningen
أَعِندَهُۥ عِلْمُ ٱلْغَيْبِ فَهُوَ يَرَىٰٓ ٣٥
Is de kennis der toekomst met hem, zoodra hij die ziet
Aantekeningen
أَمْ لَمْ يُنَبَّأْ بِمَا فِى صُحُفِ مُوسَىٰ ٣٦
Is hij niet onderricht van datgene, wat in de boeken van Mozes is bevat
Aantekeningen
وَإِبْرَٰهِيمَ ٱلَّذِى وَفَّىٰٓ ٣٧
En van Abraham, die zijn verbintenissen godvruchtig volbracht
Aantekeningen
أَلَّا تَزِرُ وَازِرَةٌ وِزْرَ أُخْرَىٰ ٣٨
Te weten: dat eene belaste ziel niet den last van eene andere zal dragen
Aantekeningen
وَأَن لَّيْسَ لِلْإِنسَٰنِ إِلَّا مَا سَعَىٰ ٣٩
En dat den mensch, die rechtvaardig is, niets zal worden opgelegd, behalve zijn eigen arbeid
Aantekeningen
وَأَنَّ سَعْيَهُۥ سَوْفَ يُرَىٰ ٤٠
Dat zijn arbeid hiernamaals zekerlijk naar waarde zal worden geschat
Aantekeningen
ثُمَّ يُجْزَىٰهُ ٱلْجَزَآءَ ٱلْأَوْفَىٰ ٤١
En dat hij daarvoor met de meest overvloedige belooning zal worden beschonken
Aantekeningen
وَأَنَّ إِلَىٰ رَبِّكَ ٱلْمُنتَهَىٰ ٤٢
Dat het einde van alle dingen bij den Heer zal wezen
Aantekeningen
وَأَنَّهُۥ هُوَ أَضْحَكَ وَأَبْكَىٰ ٤٣
Dat hij doet lachen en doet weenen
Aantekeningen
وَأَنَّهُۥ هُوَ أَمَاتَ وَأَحْيَا ٤٤
Dat hij dood en leven geeft
Aantekeningen
وَأَنَّهُۥ خَلَقَ ٱلزَّوْجَيْنِ ٱلذَّكَرَ وَٱلْأُنثَىٰ ٤٥
Dat hij de beide kunnen: de mannelijke en de vrouwelijke, schiep
Aantekeningen
مِن نُّطْفَةٍ إِذَا تُمْنَىٰ ٤٦
Van zaad als het uitgeworpen is
Aantekeningen
وَأَنَّ عَلَيْهِ ٱلنَّشْأَةَ ٱلْأُخْرَىٰ ٤٧
Dat hem eene andere voortbrenging behoort, namelijk de wederopwekking hiernamaals, van den dood ten leven
Aantekeningen
وَأَنَّهُۥ هُوَ أَغْنَىٰ وَأَقْنَىٰ ٤٨
En dat hij verrijkt, en bezittingen doet verkrijgen
Aantekeningen
وَأَنَّهُۥ هُوَ رَبُّ ٱلشِّعْرَىٰ ٤٩
Dat hij den Heer van het hondsgesternte is
Aantekeningen
وَأَنَّهُۥٓ أَهْلَكَ عَادًا ٱلْأُولَىٰ ٥٠
Dat hij den ouden stam van Ad verwoestte
Aantekeningen
وَثَمُودَا۟ فَمَآ أَبْقَىٰ ٥١
En Thamoed; en niet een van hen liet leven
Aantekeningen
وَقَوْمَ نُوحٍ مِّن قَبْلُ إِنَّهُمْ كَانُوا۟ هُمْ أَظْلَمَ وَأَطْغَىٰ ٥٢
Als ook het volk van Noach, vóór hen: want zij waren ten hoogste onrechtvaardig en zondig
Aantekeningen
وَٱلْمُؤْتَفِكَةَ أَهْوَىٰ ٥٣
En de straf des hemels bedekte haar
Aantekeningen
فَغَشَّىٰهَا مَا غَشَّىٰ ٥٤
En de omvergeworpen steden, heeft hij ten onderst boven gekeerd
Aantekeningen
فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكَ تَتَمَارَىٰ ٥٥
Welke der voordeelen van uwen Heer, o mensch! zult gij in twijfel trekken
Aantekeningen
هَٰذَا نَذِيرٌ مِّنَ ٱلنُّذُرِ ٱلْأُولَىٰٓ ٥٦
Deze gezant is een prediker, evenals de predikers, die hem voorafgingen
Aantekeningen
أَزِفَتِ ٱلْـَٔازِفَةُ ٥٧
De dag des oordeels komt nader
Aantekeningen
لَيْسَ لَهَا مِن دُونِ ٱللَّهِ كَاشِفَةٌ ٥٨
Er is niemand, die daarvan den juisten tijd kan bepalen, behalve God
Aantekeningen
أَفَمِنْ هَٰذَا ٱلْحَدِيثِ تَعْجَبُونَ ٥٩
Verwondert gij u dus over deze nieuwe openbaring
Aantekeningen
وَتَضْحَكُونَ وَلَا تَبْكُونَ ٦٠
En lacht gij, in plaats van te weenen
Aantekeningen
وَأَنتُمْ سَٰمِدُونَ ٦١
Terwijl gij uw tijd in ijdele uitspanningen doorbrengt
Aantekeningen
فَٱسْجُدُوا۟ لِلَّهِ وَٱعْبُدُوا۟ ٦٢
Vereert veeleer God en dient hem