بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ
وَٱلْمُرْسَلَٰتِ عُرْفًا ١
Ik zweer bij de engelen die door God gezonden zijn, en elkander in eene aanhoudende reeks opvolgen
Aantekeningen
فَٱلْعَٰصِفَٰتِ عَصْفًا ٢
Bij hen die zich snel bewegen met eene snelle beweging
Aantekeningen
وَٱلنَّٰشِرَٰتِ نَشْرًا ٣
En bij hen die zijne bevelen verspreiden. Door die op aarde bekend te maken
Aantekeningen
فَٱلْفَٰرِقَٰتِ فَرْقًا ٤
En bij hen die waarheid van leugen afscheiden, door die te erkennen
Aantekeningen
فَٱلْمُلْقِيَٰتِ ذِكْرًا ٥
En bij hen die de goddelijke vermaning mededeelen
Aantekeningen
عُذْرًا أَوْ نُذْرًا ٦
Ter verontschuldiging of bedreiging
Aantekeningen
إِنَّمَا تُوعَدُونَ لَوَٰقِعٌ ٧
Waarlijk, wat wij beloofd hebben, is onvermijdelijk
Aantekeningen
فَإِذَا ٱلنُّجُومُ طُمِسَتْ ٨
Als de sterren zullen worden uitgedoofd
Aantekeningen
وَإِذَا ٱلسَّمَآءُ فُرِجَتْ ٩
En de hemel gespleten
Aantekeningen
وَإِذَا ٱلْجِبَالُ نُسِفَتْ ١٠
Als de bergen zullen uiteenstuiven
Aantekeningen
وَإِذَا ٱلرُّسُلُ أُقِّتَتْ ١١
En als den gezanten een tijdstip zal zijn aangewezen, om te verschijnen en getuigenis tegen hun eigen volk af te leggen
Aantekeningen
لِأَىِّ يَوْمٍ أُجِّلَتْ ١٢
Tot op welken dag zal men het einde uitstellen
Aantekeningen
لِيَوْمِ ٱلْفَصْلِ ١٣
Tot den dag der scheiding
Aantekeningen
وَمَآ أَدْرَىٰكَ مَا يَوْمُ ٱلْفَصْلِ ١٤
En wat zal u doen begrijpen, wat de dag der scheiding is
Aantekeningen
وَيْلٌ يَوْمَئِذٍ لِّلْمُكَذِّبِينَ ١٥
Op dien dag, wee over hem, die de profeten van bedrog beschuldigde
Aantekeningen
أَلَمْ نُهْلِكِ ٱلْأَوَّلِينَ ١٦
Hebben wij niet de vroegere, hardnekkige ongeloovigen verdelgd
Aantekeningen
ثُمَّ نُتْبِعُهُمُ ٱلْـَٔاخِرِينَ ١٧
Wij zullen ook die van latere tijden hen doen volgen
Aantekeningen
كَذَٰلِكَ نَفْعَلُ بِٱلْمُجْرِمِينَ ١٨
Zoo handelen wij met de snoodaards
Aantekeningen
وَيْلٌ يَوْمَئِذٍ لِّلْمُكَذِّبِينَ ١٩
Wee op dien dag over hen, die de profeten van bedrog hebben beschuldigd
Aantekeningen
أَلَمْ نَخْلُقكُّم مِّن مَّآءٍ مَّهِينٍ ٢٠
Hebben wij u niet van een nietigen droppel zaad geschapen
Aantekeningen
فَجَعَلْنَٰهُ فِى قَرَارٍ مَّكِينٍ ٢١
Dien wij in eene zekere bewaarplaats stelden
Aantekeningen
إِلَىٰ قَدَرٍ مَّعْلُومٍ ٢٢
Tot de bepaalde tijd der verlossing was gekomen
Aantekeningen
فَقَدَرْنَا فَنِعْمَ ٱلْقَٰدِرُونَ ٢٣
En wij waren in staat dit te doen; want wij zijn machtig
Aantekeningen
وَيْلٌ يَوْمَئِذٍ لِّلْمُكَذِّبِينَ ٢٤
Wee op dien dag over hen, die de profeten van bedrog hebben beschuldigd
Aantekeningen
أَلَمْ نَجْعَلِ ٱلْأَرْضَ كِفَاتًا ٢٥
Hebben wij de aarde niet zóó gemaakt, dat zij bevat
Aantekeningen
أَحْيَآءً وَأَمْوَٰتًا ٢٦
De levenden en de dooden
Aantekeningen
وَجَعَلْنَا فِيهَا رَوَٰسِىَ شَٰمِخَٰتٍ وَأَسْقَيْنَٰكُم مَّآءً فُرَاتًا ٢٧
En hebben wij daarop geene vaste, verhevene bergen geplaatst en u zuiver water te drinken gegeven
Aantekeningen
وَيْلٌ يَوْمَئِذٍ لِّلْمُكَذِّبِينَ ٢٨
Wee op dien dag over hen, die de profeten van bedrog hebben beschuldigd
Aantekeningen
ٱنطَلِقُوٓا۟ إِلَىٰ مَا كُنتُم بِهِۦ تُكَذِّبُونَ ٢٩
Men zal tot hen zeggen: Gaat ter straf, welke gij als eene valschheid hebt geloochend
Aantekeningen
ٱنطَلِقُوٓا۟ إِلَىٰ ظِلٍّ ذِى ثَلَٰثِ شُعَبٍ ٣٠
Gaat in de schaduw van den rook der hel, welke in drie kolommen zal opstijgen
Aantekeningen
لَّا ظَلِيلٍ وَلَا يُغْنِى مِنَ ٱللَّهَبِ ٣١
En die u noch voor de hitte beveiligen, noch tegen de vlam van dienst wezen zal
Aantekeningen
إِنَّهَا تَرْمِى بِشَرَرٍ كَٱلْقَصْرِ ٣٢
Maar hij zal vonken, zoo groot als torens, uitwerpen
Aantekeningen
كَأَنَّهُۥ جِمَٰلَتٌ صُفْرٌ ٣٣
Gelijkende in hare kleur op gele kemels
Aantekeningen
وَيْلٌ يَوْمَئِذٍ لِّلْمُكَذِّبِينَ ٣٤
Wee op dien dag over hen, die de profeten van bedrog hebben beschuldigd
Aantekeningen
هَٰذَا يَوْمُ لَا يَنطِقُونَ ٣٥
Dit zal een dag wezen, waarop de schuldigen sprakeloos zullen zijn
Aantekeningen
وَلَا يُؤْذَنُ لَهُمْ فَيَعْتَذِرُونَ ٣٦
En het zal hun niet geoorloofd worden, zich te verontschuldigen
Aantekeningen
وَيْلٌ يَوْمَئِذٍ لِّلْمُكَذِّبِينَ ٣٧
Wee op dien dag over hen, die de profeten van bedrog hebben beschuldigd
Aantekeningen
هَٰذَا يَوْمُ ٱلْفَصْلِ جَمَعْنَٰكُمْ وَٱلْأَوَّلِينَ ٣٨
Dit zal de dag der scheiding wezen, waarop wij zoowel u, als uwe voorgangers zullen verzamelen
Aantekeningen
فَإِن كَانَ لَكُمْ كَيْدٌ فَكِيدُونِ ٣٩
Indien gij dus eene doordachte list bezit, gebruikt die dan tegen mij
Aantekeningen
وَيْلٌ يَوْمَئِذٍ لِّلْمُكَذِّبِينَ ٤٠
Wee op dien dag over hen, die de profeten van bedrog hebben beschuldigd
Aantekeningen
إِنَّ ٱلْمُتَّقِينَ فِى ظِلَٰلٍ وَعُيُونٍ ٤١
Maar de vrome zal te midden van schaduwen en fonteinen wonen
Aantekeningen
وَفَوَٰكِهَ مِمَّا يَشْتَهُونَ ٤٢
En te midden van vruchten van allerlei soort, welke zij zullen begeeren
Aantekeningen
كُلُوا۟ وَٱشْرَبُوا۟ هَنِيٓـًٔۢا بِمَا كُنتُمْ تَعْمَلُونَ ٤٣
En men zal tot hen zeggen: Eet en drinkt met goede spijsvertering, ter belooning voor hetgeen gij zult hebben verricht
Aantekeningen
إِنَّا كَذَٰلِكَ نَجْزِى ٱلْمُحْسِنِينَ ٤٤
Want zoo beloonen wij de rechtvaardigen
Aantekeningen
وَيْلٌ يَوْمَئِذٍ لِّلْمُكَذِّبِينَ ٤٥
Wee op dien dag over hen, die de profeten van bedrog hebben beschuldigd
Aantekeningen
كُلُوا۟ وَتَمَتَّعُوا۟ قَلِيلًا إِنَّكُم مُّجْرِمُونَ ٤٦
Eet, o ongeloovigen? en geniet de genoegens van dit leven voor een korten tijd. Waarlijk, gij zijt zondaren
Aantekeningen
وَيْلٌ يَوْمَئِذٍ لِّلْمُكَذِّبِينَ ٤٧
Wee op dien dag over hen, die de profeten van bedrog hebben beschuldigd
Aantekeningen
وَإِذَا قِيلَ لَهُمُ ٱرْكَعُوا۟ لَا يَرْكَعُونَ ٤٨
En als hun gezegd wordt: Buigt u neder, dan buigen zij niet neder
Aantekeningen
وَيْلٌ يَوْمَئِذٍ لِّلْمُكَذِّبِينَ ٤٩
Wee op dien dag over hen, die de profeten van bedrog hebben beschuldigd
Aantekeningen
فَبِأَىِّ حَدِيثٍۭ بَعْدَهُۥ يُؤْمِنُونَ ٥٠
In welke nieuwe openbaring, zullen zij na deze gelooven